Installatietips

Praktische tips bij installatie
  • Op een stroomgroep, welke al in gebruik is, mag u een zonnestroomsysteem met een maximale stroomsterkte van 2,25 ampère(A) aansluiten. Dit is de stroomsterkte aan de wisselstroomkant van de omvormer. Hierop kunt u zo’n 600 Wp aan zonnepanelen aansluiten. Uw leverancier kan u hier meer over vertellen. Omvormers met een hogere stroomsterkte moeten op een eigen groep worden aangesloten. Soms is er nog een vrije (reserve) groep in meterkast- of bord aanwezig. Zo niet, laat dan een installateur de installatie hiervan verzorgen.
     
  • De hoogste opbrengst heeft u als de panelen een hellingshoek hebben van 36 graden en gericht zijn op het zuiden. Andere oriëntaties naar oost of west zijn ook mogelijk, maar de opbrengst is dan wat lager.
     
  • Kies een dakoppervlak zonder schaduw of obstakels zoals een schoorsteen. Denk bij schaduw aan overhangende takken van bomen of een dakrand en aan hoge gebouwen in de omgeving, die door draaiing van de zon schaduw werpen op het dak. Met name een harde schaduw werkt vertragend in de stroomkring van panelen.
     
  • Plaats de omvormer dicht bij de panelen, om opbrengstverliezen te beperken.
     
  • Laat voldoende ventilatieruimte onder panelen en rond de omvormer(s), zodat die de warmte kwijt kunnen. Te hoge temperaturen zorgen voor een lagere elektriciteitsopbrengst.
     
  • Ga bij een hellend dak uit van minimaal 1,5 m² per zonnepaneel. Bij een plat dak moet u rekenen op 2,5 m² per paneel. Panelen staan op een plat dak namelijk schuin rechtop. Extra tussenruimte om te voorkomen dat de panelen schaduw op elkaar werpen is hier nodig.
     
  • Zonnepanelen kunnen ook loodrecht tegen de gevel van een gebouw worden geplaatst (de opbrengst is dan wel lager) of ook wel als zonneluifel. Informeer hiernaar bij de installateur.